In 1898 kreeg bakker-Jan Savenije zijn zoveelste dochter: Marie. Zij was het die later het café-restaurant overnam. In haar jeugd was ze ooggetuige van het oude bakkersambacht zoals haar vader dat uitoefende, in een tijd dat er nog geen elektriciteit was. Het was een zwaar beroep, want het deeg moest nog met handen én voeten worden gekneed. Bakker-Jan zal heel wat kilometers hebben afgelegd in de trog.
De ik-figuur in onderstaande artikel Marie Savenije. Achtereenvolgens vertelt ze hoe haar vader aan het begin van de vorige eeuw roggebrood, roggestoet en beschuit bakte.
Roggebrood
Hoe het vroeger in de bakkerij toe ging weet ik nog goed. Het deeg voor het roggebrood werd gekneed met de voeten, die natuurlijk eerst goed gewassen werden voor ze de trog in gingen.
Als het deeg goed gekneed was, ging het in een machine die leek op een groot model worstmachine. Hierin werden de broden gevormd: ze kregen een vierkant model en hadden een gewicht van tien en vijf pond. De deegvorm werd door de zemelen gewenteld en dan ging hij in de houtgestookte oven.
Deze oven werd gestookt met takkebossen (boesken), harde turf en ook wel schilhout. Wij kregen dit per spoorwagon uit Borculo. We waren dan de hele dag druk om de vracht uit te laden en naar de zolder te brengen.
Als de stenen oven warm genoeg was, werd het vuur er onderuit gehaald met een groot roerijzer en in een grote doofpot gedaan. Later werd hiermee de kachel aangemaakt.
Het roggebrood werd in de oven geschoven met een plank, waaraan een lange steel zat. Om de warmte in de oven zo lang mogelijk vast te houden, werd de ovendeur dichtgesmeerd met roggebrooddeeg.
De broden moesten twaalf uur in de warme oven zitten voor ze gaar waren. Dat was van vijf uur ’s middags tot de volgende morgen vijf uur. Wanneer de broden enigszins gekoeld waren, werden ze op lange planken naar de kelder gebracht.
De boeren in Lönneker die zélf rogge verbouwden, brachten eerst een zakje rogge naar de molenaar om het te laten malen en vervolgens brachten ze het meel naar de bakker om er roggebrood van te laten bakken.[1] Als ik me goed herinner, moest de boer voor het bakken een dubbeltje betalen.
Roggestoet
Op vrijdag bakte vader altijd roggestoet. Het deeg hiervoor werd gemaakt van heel fijn gemalen roggemeel en tarwebloem. De broden hadden een gewicht van acht ons. Vrijdagsmiddags ging de knecht met paard en (brood)wagen naar Enschede om de vele klanten die we daar hadden, van roggestoet te voorzien. In Lonneker bezorgde de knecht het brood wel met de hondenkar.
Beschuit
Als er beschuit gebakken moest worden, stond vader al om vier uur op. Voor de bereiding van het beschuitdeeg gooide hij een halve zak tarwebloem in de trog, 26 eidooiers, melk, boter, gist en zout. Dit alles moest wel een uur lang gekneed en geslagen worden om een goed deeg krijgen. Dan draaide hij er kleine bolletjes van, die op een goed schoongemaakte plaat werden gezet. Van tevoren moest deze plaat nauwkeurig ingesmeerd worden met olie, anders kon je de gare bollen er niet goed afhalen.
De oven was inmiddels al opgestookt met boesken of schilhout. Schilhout was hout waar de bast vanaf gehaald was: mooie blanke knuppels, samengebonden in bossen van tien. Ondertussen bracht vader een zeer grote pan met water aan de kook. Het kokende water werd in de onderoven gegoten, zodat de oven erboven warm werd en de deegbollen gingen rijzen.
Waren ze op hoogte, dan haalde vader de platen eruit en plaatste ze in de bovenste oven tot de beschuitbollen mooi bruin van kleur en gaar waren. Vervolgens bracht hij de platen met de bruine bollen naar een koele plaats. Waren ze eenmaal afgekoeld, dan sneed hij met een groot mes − eens zo groot als een modern vleesmes − het bovenste gedeelte van de bollen af.
Deze afgesneden halve bollen moesten op een andere plaat worden overgezet zodat ze daarop verder konden drogen en bruinen. Dat was een karweitje voor ons, de kinderen. We moesten ze heel netjes in rijen naast elkaar zetten. Omdat wij dichtbij school woonden, kon vader goed in de gaten houden wanneer de school openging. Hij stond dan ook vaak in de deuropening van de bakkerij te kijken of wij er nog niet aan kwamen.
[1] Van akker tot bakker zeggen ze bij de vereniging Het Aangespannen Landbouwwerktuig en de Stichting Lonneker Molen (wb).
Foto's
- Foto bakker Jan
- Ansichtkaart van de hele zaak (zo groen was de Bölt toen).
Contact
Heb je een vraag?
Stuur een bericht via het onderstaande contactformulier: