Publicaties

Klarinetten in de kerk van Lonneker


Klarinetten in de kerk van Lonneker
 
   

In boekje nr. 48 van 3 januari 1975 werd een begin gemaakt met een serie interviews.

De serie interviews, waarmee we in dit nummer een start willen maken, opent met een historisch vraaggesprek, dat we door toedoen van een lezer aantroffen in de Twentsche Courant van dinsdag 28 januari 1930. De onbekend gebleven redacteur had een gesprek met de 102-jarige Janns Beverborg van het erve ‘De Beuker’ te Lonneker.

De redactie

 

KLARINETTEN IN DE KERK VAN LONNEKER

Dezer dagen kreeg ik bezoek van een jongeman uit Lonneker die mij een klarinet bracht, zo vertelt de heer J.J. van Deinse te Enschede in 'Tubantia', welke volgens zijn zeggen had dienst gedaan in de r.k. kerk te Lonneker, toen er in de kerk nog geen orgel was.

Daar ik hiervan nooit had gehoord, heb ik getracht mijn licht op te steken bij oude boeren te Lonneker, maar niemand die ik vroeg wist zich hiervan iets te herinneren en had er ook nooit van gehoord. Toen besloot ik eens weer een bezoek te brengen aan de oude, nu bijna 103-jarige Janns Beerborg, over wie ik vroeger al eens in Tubantia had geschreven. Als iemand mij daarvan iets kon vertellen moest hij het zijn. Op een mooie zondagmorgen richtte ik mijn schreden naar het bekende erve ‘De Beuker’ en trof de oude man gezond en wel aan, zittende bij het open vuur op de deel zijner woning. Het gesprek liep natuurlijk eerst over het weer. Hij was blij, dat het niet zo koud was als ‘t vorig jaar, nich d’r um ‘t kaan oons nog genog kriegen, meende hij, want driekoningen was nog niet achter de rug en ‘Dreekönnige leg de brug of brek de brug!

Zijn gezondheid was nog best al ging het lopen niet meer zo goed, maar het eten en zijn ‘zwokpiep’ smaakten hem nog best. Van zijn maag, waarvan hij vroeger zoveel last had gehad, vertelde hij ook weer. Daar had het jonge dökterken Kösters (dr. Andries Kosters) em fenaolweg of éholpen door hem een dronk te laten klaarmaken volgens het recept van ‘n Deepensen dokter, een vroeger hier in de buurt bijzonder beroemd geneesheer te Diepenheim.

Daar had het jonge dökterken Kösters (dr. Andries Kosters) em fenaolweg of éholpen door hem een dronk te laten klaarmaken volgens het recept van ‘n Deepensen dokter, een vroeger hier in de buurt bijzonder beroemd geneesheer te Diepenheim, ‘n sterken dronk met nen koam (dik, drabbig vlies, (red) d’r op, dee oaverkwam!

En toen bracht ik het gesprek op de klarinetten. Daar wist hij alles van! Hij bevestigde geheel wat mij daarvan door de jonge man vertred was. Vijf erven noemde hij mij waar ze zulk een instrument hadden gehad: bij de Wigger, de Veger, de Wiefker, bij Boschgoarens Graads en bij Sniederherms Jaan.

Het was de eerste pastoor van Lonneker, Lambertus Scholten Reimer, geboortig van het gelijknamige erve in de boerschap Hasselo bij Deurningen, die zich vooral voor deze klarinettenmuziek en de kerkzang veel moeite had gegeven. Het oefenen op die muziekinstrumenten en van de zang geschiedde onder leiding van een zekere heer Bökking uit Denekamp. De muzikanten oa. de jongens van het erve Wigger oefenden zich wanneer ze de koeien gingen hoeden en dan klonk hun muziek zo mooi over de heide. Maar de beste speelman was Sniederherm Jaan, die dicht bij de kerk woonde, hij kon mirakels mooi spöll’n. Doch hij had er ook het best de tijd voor. Die Jaan deelde met W. Gerritsen (Spölmink) voor de firma Blijdenstein & Co. de ‘piepen en kettens’ (het weefgaren) uit aan de boeren-huiswevers en nam de geweven stukken van de laatsten in ontvangst. Hij was dus veel thuis en had daarom de beste gelegenheid zich op de klarinet te oefenen. Hij was nr. 1 van het klarinettengezelschap en voorzanger van het koor. De muzikanten stonden bij de zangers op het koor, waarin ook meisjes meezongen.

‘En mangs, vertelde Janns, schoven ze een ander stuk in de klarinet, ‘n oa-stuk (A) en dan können ze d’r een heel aander geluud oet bloazen! En wanneer met Pasen het Paasvuur werd gebrand tussen de erven De Beuker en De Welman op de zg. Lippersbult dan kwam daar de Veger ook met zijn klarinet om het gezang bij het Paasvuur te begeleiden, want toen zong men te Lonneker ook nog bij het Paasvuur het ‘Christus is opgestanden’ als nu nog te Ootmarsum en Denekamp geschiedt.
 
 

KAPELAAN TE PAARD

De tijd, dat er nog geen pastoor te Lonneker was en de godsdienstoefeningen werden geleid door de geestelijken uit Enschede, reeds in 1687 in het boerenhuis van het erve Bouwhuis en later omstreeks 1820 in de eerste kerk die gedeeltelijk was gebouwd van de afbraak van het Klooster Glane en waarvoor Koning Willem I in 1819 8.000 gulden als bijdrage schonk, die tijd wist Janns Beverborg zich nog best te herinneren. De pastoor of kapelaans kwamen dan te paard van Enschede naar Lonneker. Janns herinnerde zich twee namen van Enschedese kapelaans, die te Lonneker kwamen: kapelaan Bekman en Rienkes.

De eerste was een flink ruiter en reed als de beste maar kapelan Rienkes maakte er niet veel van! Zij stalden hun paarden gedurende de godsdienstoefeningen bij Wegman (Levink) dicht bij de kerk en dronken daar tussen de beide diensten een kopje koffie bij het losse vuur.

Eens reed er een kapelaan vanuit Enschede naar de kerk op de Kerkenbult , toen het paard plotseling weigerde een stap verder te gaan. Hoe de geestelijke ook aan de tuigels trok of van zijn zweep gebruik maakte, het beest wilde op een bepaalde plek niet verder. Min of meer ontdaan keerde de kaplaan naar Enschede terug en vertelde het geval aan zijn pastoor. Deze liet zich nauwkeurig de plaats uitduiden waar het geval zich had voorgedaan, besteef zelf het paard en reed richting de Lonneker kerk. Op enige afstand van de aangeduide plek gaf hij het beest een paar flinke tikken met de zweep, zodat het in gestrekte draf de gevaarlijke plaats passeeerde en zijn berijder behouden bij de kerk te Lonneker bracht.

Lachend vertelde hij daar dat men waarschijnlijk een dode hond of iets dergelijks dwars over de weg had gesleept, waarvan het paard de lucht had geroken en daarom geweigerd had verder te gaan. Toen hij echter in volle draf de plek voorbij reed had het beest niets meer gemerkt.
 

Pastoor Reimer

 

De bediening van de kerk te Lonneker vanuit Enschede duurde tot 1837. Toen werd pastoor Scholten Reimer de eerste pastoor van Lonneker. Ofschoon er toen al wel enige jaren een kerk was, die in 1845 werd verfraaid en vergroot, schijnt pastoor Reimer niet dadelijk een pastorie te hebben gehad, want Beverborg vertelde, dat de pastoor zich achter het altaar een kamertje had laten timmeren, waarin hij woonde. Hij was bij de boeren zeer bemind en bezocht niet alleen de boerenerven, wanneer een der bewoners maar ook wanneer er een stuk vee ziek was.

 

Met Sunt Joapik zocht hij de boeren bij de roggeoogst op het land op, greep bij zo’n gelegenheid eens de zich van de oude Lipper en maaide er een hoekje rogge mee als de beste boer.

 

Zijn traktement bedroeg f. 300,00 dat door de Lonneker boeren werd opgebracht. De grote boeren betaalden natuurlijk het meest, maar de knechts een schilling (30 cent) en de meiden een Kasmänneke (15 cent) ‘meer ook wal ees mangs niks’. Pastoor Reimer was een groot liefhebber van de jacht en legde ook de tuin bij de pastorie aan.

 

Toen enige jaren geleden bij de bouw der tegenwoordige, de oude kerk werd afgebroken (bedoeld is het Waterstaatkerkje, dat in 1911 werd afgebroken. (red.) kwamen er een koperen en een loden plaat voor de dag.

Op de eerste stond:

1860

Geevers van het bouwwerk

Joh. Perik

Gradus Perik

L. Scholten Reimer Pastoor

en op de loden plaats was vermeld:

1860

Geevers van de Toren

Hendrikus Wigger

Johannes Wigger

Johanna Wiefker

Uit beide platen blijkt, dat de toren en het uurwerk in 1860 waren aangebracht, zeer waarschijnlijk met de daadwerkelijke steun en door de bemoeiingen van pastoor Reimer.

Bedevaart naar Coesfeld.

Onuitputtelijk was de oude Beverborg bij mijn bezoek in verhalen uit vroegere dagen. Met grote dankbaarheid vermelde hij nog, dat toen eens hun huis geheel door brrand was vernield, terwijl het niet verzekerd was, alle lonneker boeren hadden meegeholpen de woning weer op te bouwen. Van het erve kromhof in Eschmarke hadden ze bij die gelegenheid een zware eikenboom ten geschenke gekregen voor het ‘veerkante werk!

Met pinksteren ging hij vroeger dikwijls ter bedevaart naar het beroemde kruis van Coesfeld, waar dan ‘n ummegaank’ plaatsvond.


Share our website